ALLAN BLOOM

Uitgezonden in DIOGENES

De professor geeft nooit interviews. De professor haat journalisten. En terecht, beweert zijn secretaresse. Maar, zegt ze over de telefoon, hij is geïntrigeerd door de belangstelling uit Nederland en door de naam van het programma Diogenes die intellectuele diepgang doet vermoeden.
En bij hoge uitzondering stemt de professor toe in een interview.

Chicago is een wrede stad. Kaarsrechte straten leiden je binnen enkele minuten van de luxueuze haven aan het Michigan-meer langs het hoogste gebouw ter wereld, langs een vijf verdiepingen hoge sculptuur van Picasso en een muurmozaïek van Chagall over de Chicago-rivier naar de krottenwijken waar geen buitenstaander zich meer durft te vertonen, waar honderdvijftigduizend werkloze zwarten leven opeengepakt in bouwvallige flats.

Een politieman stopt zijn patrouillewagen als hij ons opmerkt onder de 'loop', de metrobaan die hoog boven de straten loopt, de locatie van vele misdaadfilms. Hij draait zijn raampje naar beneden. 'Ga niet verder,' waarschuwt hij. 'They cut your throath for less than that.' Hij wijst op onze filmapparatuur.
'Wie zijn "zij"?' vraag ik.

'Die lui op het sociale woningbouwcomplex,' antwoordt hij zonder zijn auto te verlaten.
De politieauto, de vlezige agent, het geraas van de metro die boven ons hoofd voorbij rijdt, het vuilnis, de kartonnen dozen die lijken te dienen als slaapplaatsen voor de nacht, wij wanen ons in het decor van een film, een goedkope film, vol cliché's. Ik ben voor het eerst in Amerika.
'Jij ziet ze niet. Maar zij zien jou wel. Voor je het weet is het gebeurd. Ik heb je gewaarschuwd. Blijf down-town. Have a nice day.'
Chicago is volgens de reisgidsen, het archetype van de Amerikaanse stad. Wie Chicago niet begrijpt, begrijpt Amerika niet. Het is een stad met tegenstellingen op loopafstand. Twee werelden ineen. Zonder mededogen. Een horizon die het economisch succes van het postorderbedrijf Sears verenigt - 1454 voet hoog, honderd voet hoger dan het World Trade Center in New York -met de torenflats van Cabrini-Green waar 35.000 zwarten wonen in vijftien verdiepingen hoge flats, 'allemaal straatarm', volgens de reisgids, 'levend met teenagergeweld en vandalisme, angst en achterdocht, chaos en woede. Tweederangs burgers, levend in een tweederangs wereld. Ze weten het en ze haten het.'

* * *

De meeste winkels in 55th Street zijn gesloten, gebarricadeerd of uitgebrand. De winkels die nog open zijn, zijn met tralies beveiligd.
'Twintig jaar geleden was 55th Street hét uitgaanscentrum voor jong Chicago. Nu is het een oorlogsgebied, omgeven door kaalslag, een niemandsland.'

Gordon Quinn is sinds zijn studententijd niet meer teruggeweest in 'zijn straat'. In de jaren zestig bezocht hij de jazzcafé's aan weerszijden van de straat, waarboven de metro raast en rammelt. Nu durft hij de auto niet meer uit.
'Keep moving,' waarschuwt hij als ik wil stoppen voor een zwaar beveiligd pand. 'Let niet op de stoplichten. Doorrijden. Hier kunnen de zwarten hun wellfare-cheque inwisselen. Tralies. Gepantserd glas. Keep moving.'
Gordon Quinn studeerde in de jaren zestig aan de universiteit van Chicago. Hij maakte alle demonstraties mee: tégen de oorlog in Vietnam, vóór de burgerrechten voor de zwarte bevolking, tégen de oude, corrupte leiding van de Democratische Partij.


Hij beweert niet veel veranderd te zijn, sinds die roerige dagen. Amerika is veranderd. 'De integratie waar wij twintig jaar geleden voor demonstreerden, is mislukt. De blanken zijn weggetrokken uit 55th Street. We leven nu weer in twee gescheiden werelden. Oh yes,' zegt hij lachend. 'We hebben nu Jesse Jackson. En Chicago heeft een zwarte burgemeester. Maar we hebben ook 55th Street, de ghetto's. Gratis soep van de bedeling.'

* * *

'Gewoon succes bestaat niet in Amerika. Of je faalt, of je wordt een superster. Ik voel me net Gary Grant. Of zo'n rock and roll superstar.'
Professor Allan Bloom kan het eigenlijk nog steeds niet geloven. 'Ik had ooit eens een artikel geschreven over de huidige stand van zaken in het Amerikaanse onderwijs. Mijn vriend Saul Bellow zei dat ik het moest uitwerken tot een boek. Dat heb ik geprobeerd. Ik schreef het voor mijn vakbroeders. De uitgever dacht dat we er misschien tienduizend exemplaren van zouden verkopen. Het zijn er inmiddels vijfhonderdduizend geworden. Hardcovers. Ik tel de paperbacks niet mee. Mijn vijanden zeggen dat ik inmiddels miljonair ben geworden. Ik heb veel vijanden.'

De professor lacht. Hij is met zichzelf ingenomen. En met recht. Zijn boek The closing of the American mind (vertaald als De gedachteloze generatie) stond wekenlang boven aan de bestsellerlijsten van Amerika. Geen boek deed zo veel stof opwaaien als Blooms analyse van de jaren tachtig. Hij wordt de 'grumpy Guru' van Chicago genoemd, een kwalificatie waarmee hij geen moeite lijkt te hebben. Hij geselt de Amerikaanse samenleving en met name de academische wereld. 'De grote geestelijke aderlating is begonnen.'
Hij grijnst en steekt weer een sigaret op. 'Het is verboden te roken, tegenwoordig, hier op de universiteit. NIets mag meer. Behalve onzin uitkramen.'
Hij kijkt uitdagend om zich heen, door de statige kamer, volgehangen met portretten van rectoren uit het roemruchte verleden, dat volgens Bloom voor altijd afgesloten is.
'De oorzaak?' vraagt hij retorisch. 'Geëngageerdheid.' Het klinkt als een heel vies woord. 'Engagement. Het begon in de jaren zestig. Betrokkenheid verdrong de rationele objectiviteit en daarmee werd het fundament onder onze beschaving weggeslagen. En nu betaalt Amerika de rekening. Het leven is gedegenereerd tot één groot, voorverpakt, commercieel masturbatiefestijn. En het doet me deugd te zien dat u ook rookt en u zich niets aantrekt van al die actiegroepen die ons voorschrijven hoe we moeten leven, hoe we moeten denken.'
Hij leunt tevreden achterover op de sofa, een grote, kalende man met snel bewegende ogen, vol humor, die neigt naar sarcasme en wantrouwen.

* * *

De universiteit van Chicago waar Allan Bloom doceert, grenst aan de afbraakbuurt waarvan 55th Street de levensader vormt. Rondom het in Amerikaans neo?gotische stijl gebouwde complex ligt een cordon sanitaire. Brede grasvelden zonder bomen scheiden de universiteit van de buitenwereld.


'De studenten blijven tegenwoordig 's avonds op de campus,' vertelt de voorlichter terwijl hij ons rondleidt. 'Dat is de afgelopen jaren zo gegroeid. De veiligheidssituatie is niet meer zo best.'

Vol trots laat hij de Rockefeller-kapel zien, die in vorm en afmetingen een imitatie is van een doorsnee Franse kathedraal.
'Wij zijn een kleine universiteit maar wij tellen onder onze staf en onze alumni procentueel het hoogste aantal Nobelprijswinnaars van de hele wereld. En nu hebben we natuurlijk professor Bloom.'
De tot voor kort onbekende professor heeft zijn werkkamer op de tweede verdieping van een schattig torentje met een heuse borstwering op de hoek van het universiteitscomplex dat herinneringen oproept aan middeleeuwse kastelen. Professor Bloom deelt zijn kamer met een collega.

'Wie had kunnen denken dat de professor zo beroemd zou worden,' verzucht zijn secretaresse. Overal staan dozen met ongeopende post. 'De professor heeft nogal een achterstand,' zegt ze. 'Het is net een sprookje.'
De voorlichter waarschuwt ons ten overvloede nogmaals dat Allan Bloom een bloedhekel heeft gekregen aan journalisten. 'Schrik niet als hij plotseling begint te stotteren. Hij is zo verschrikkelijk hard aangepakt in de pers. Hij is elitair genoemd. Een academische Oliver North. De New York Times trok zijn academische reputatie in twijfel. En één recensent schreef zelfs dat fatsoenlijke mensen zich zouden moeten schamen om zo'n boek te schrijven.'

Maar de professor is absoluut niet knorrig of zenuwachtig als hij ons ontvangt. Hij geniet van zijn succes. 'Het is allemaal heel opwindend wat er met mij gebeurt. Het is zo'n Amerikaanse ervaring. Er gaan een hoop infantiele fantasieën in vervulling. Maar soms vrees ik dat de boodschap van mijn boek verloren gaat in alle opwinding rond mijn persoon. Dat zou tragisch zijn want de taak waar wij voor staan is gigantisch. Zijn we begonnen?' vraagt hij verlegen.
Ik knik, de camera loopt al een tijdje.

'De oorspronkelijke titel van het boek luidde: Souls without longing. De uitgever vond The closing of the American mind aantrekkelijker. Goed, met wat heen-en-weer-geredeneer komt het op hetzelfde neer. Laat ik het simpel proberen uit te leggen. Onze universiteiten zijn ten prooi gevallen aan het cultureel relativisme. Dat is overgewaaid uit Europa, onder invloed van de Duitse sociologen. Dat cultureel relativisme beweert dat je je overal voor moet openstellen. Ik zeg: openheid leidt tot geslotenheid. Als openheid een doel op zichzelf wordt, wat de afgelopen jaren gebeurd is, dan wordt het zoeken naar De Waarheid zinloos. Hoe kun je de hogere dingen in het leven bereiken, de waarheid ontdekken als je gelooft dat alle mensen gelijk zijn, dat alle culturen gelijkwaardig zijn? Gelijkheid is een vooroordeel van de democratie. De hedendaagse student gelooft dat alles relatief is, dat niets zeker is. Alles is even waar. Dus: Goed en Kwaad bestaan niet. Hij gelooft niet in absolute waarheden. Dus hij hoeft er ook niet naar te zoeken. Daarmee verdwijnt de nieuwsgierigheid. En wat is ervoor in de plaats gekomen? Betrokkenheid. Engagement is het enige dat telt. Betrokkenheid is een uiterst modern begrip. Het krijgt alleen betekenis als er geen waarheid meer bestaat. Wie een morele richtlijn wil, kiest zijn eigen waarheid. Betrokkenheid wordt een doel op zichzelf. En hij vervangt de speurtocht naar de waarheid, naar het goede. En het opvallende is dat de student die zegt dat hij niet in absolute waarheden gelooft, een paar hele grote zekerheden heeft: alle mensen zijn gelijk en onze grondwet is een racistisch, sexistisch document.'

Hij kijkt uiterst tevreden en steekt een nieuwe sigaret op. 'Wat wilt u weten,' zegt hij. 'U mag mij onderbreken. Gaat u gerust met mij in discussie.'
Voordat ik een vraag kan stellen, vervolgt hij zijn analyse van Amerika. 'Ik heb oprecht medelijden met de studenten. Het leven is zo leeg geworden. Rock and roll is hun enige geestelijke voedsel. Mick Jagger is hun held. Hun sexuele ervaringen zijn zo oppervlakkig, zo direct, zo teleurstellend. Wat is er nog mooier in het leven dan samen met Plato en Socrates te speuren naar de Waarheid? Om met Rousseau te zoeken naar de betekenis van Liefde en Vriendschap? Om na te denken, samen met onze Founding Fathers, over Gelijkheid en Broederschap? Dat gebeurt niet meer. Het wordt elitair gevonden.'

In The closing of the American mind schetst Allan Bloom het leven van een hypothetische dertienjarige Amerikaanse jongen. Hij ligt op zijn buik voor de televisie terwijl hij zijn huiswerk doet. Op zijn walkman luistert hij naar de 'orgasmic rhythms' van Mick Jagger. En zijn werkende ouders en geëngageerde leraren wijzen hem er niet op dat er meer is in het leven dan het 'sexueel opwindende gebonk van deze drag queen. Het leven is verworden, zo concludeert Allan Bloom, tot 'a non-stop, commercially prepackaged masturbational fantasy'.
'Ik geloof dat dit de meest geciteerde zin van het jaar is,' zegt Allan Bloom breeduit lachend. 'Ik schreef hem 's avonds laat op,' zegt hij bijna verontschuldigend. 'De uitgever vond hem prachtig. Maar begrijp me goed: ik heb bewondering voor Jagger. Hij is een heel slimme zakenman. Ik wilde een punt scoren. Als je met studenten praat dan merk je dat Mick Jagger hun grote voorbeeld is. Niet Abraham Lincoln. Hun leven draait rond gevoelens.

Niet rond de rede. Gevoel is belangrijk voor hen. En rock and roll roept infantiele gevoelens op, puppy love, verzet tegen je ouders. De oude, klassieke muziek was ook hoogst erotisch. Maar hij was verbonden met hoge, onbereikbare idealen. Dat geldt ook voor de literatuur: Madame Bovary, Anna Karenina. Wie leest ze nog? Onze maatschappij is ontaard is één groot Disneyland: alle wensen moeten onmiddellijk vervuld worden en het zijn infantiele wensen. Geld, succes, sex.'


* * *

 

Gordon Quinn wordt alleen al bij het horen van de naam Allan Bloom witheet van woede. 'Ik heb een paar hoofdstukken van zijn boek gelezen. Dat was genoeg. Het is koffietafeljunk. Een modeboek, bestemd voor iedereen die met een gerust geweten eindelijk wil kunnen beweren dat de jaren zestig voorbij zijn. Dat ze hun idealen mogen opgeven. Dat ze niet meer sociaal bewogen hoeven te zijn. Niet meer solidair. Dat ze eindelijk hun ogen mogen sluiten.
Bloom is hun academische alibi en daarom is zijn boek een succes. Dacht je werkelijk dat een half miljoen Amerikanen Blooms analyse van Nietzsche en Heidegger gelezen hadden?' Gordon Quinn werkt nog steeds in hetzelfde filmcollectief als in de jaren zestig. Hij deelt zijn kantoor in een van de armere voorsteden van Chicago met een aantal actiegroepen: vakbonden, vrouwengroepen, zwarte welzijnswerkers. Boven het fornuis in de gemeenschappelijke keuken hangt een cartoon van Oliver North. Hij laat archiefmateriaal zien uit 1968 toen studenten de universiteit bezetten. Ze hangen op de sofa, zitten op de vloer en discussieren over de oorlog in Vietnam. Joints gaan rond. Het is dezelfde kamer, dezelfde sofa als waarop ik Allan Bloom heb gļinterviewd.

Opgenomen in

Aan de andere kant van de heuvel

uitgeverij Contact

'Bloom is een produkt van deze tijd. En het is niet verwonderlijk dat de universiteit van Chicago een man als Allan Bloom voortbrengt. De universiteit van Chicago was al in de jaren zestig de meest wraakzuchtige van het land. Toen studenten het administratieve centrum bezetten om te protesteren tegen de discriminatie van zwarte studenten, werden ze en masse van de universiteit geschopt.

Dit is de universiteit van Milton Friedman, Saul Bellow, Robert Bork en Douglas Ginsburg. En nu is de tijd aangebroken voor al diegenen wier academische autoriteit in de jaren zestig werd aangetast, om terug te slaan. Terug van de straat naar de ivoren toren. Wij gingen in de jaren zestig de straat op. En Mick Jagger was onze inspiratiebron. Street fighting man, You can't always get what you want. Wij verbrandden de Amerikaanse vlag. Niet omdat we niet van ons land hielden maar omdat we niet konden accepteren wat zij van ons land hadden gemaakt. Dit was niet het Amerika dat de Founding Fathers voor ogen had gestaan: Vietnam, rassendiscriminatie, sexisme. Ik ben niet veranderd. Amerika is veranderd en Allan Bloom is haar nieuwe profeet. Bloom, Reagan, Oliver North. Het is het tijdsbeeld.'

* * *

Allan Bloom doceerde in de jaren zestig aan de universiteit van Cornell. In de lente van 1969 bezetten gewapende zwarte studenten de bestuurszetel van Cornell en eisten onder bedreiging van een revolver, hervormingen in het universitaire programma.
In zijn boek komt Allan Bloom steeds op deze gebeurtenis terug. Hij vergelijkt de zwarte studenten met de nazi's die in de jaren dertig de Duitse universiteiten hun wil oplegden. De woede van Bloom richt zich vooral tegen zijn collega's die zwichtten voor de studenten. Volgens Bloom was hij de enige die zich verzette tegen de 'guntoting blacks'. Niet alleen hij, maar de hele academische wereld werd op dat moment bedreigd en de overwinning van de zwarte studenten was volgens Bloom 'het begin van het einde van het intellectuele leven in Amerika'.
Allan Bloom geeft toe dat de gebeurtenissen op Cornell een traumatische invloed op zijn leven hebben gehad. Hij ontkent echter wraakzuchtig te zijn. 'Overal om mij heen zie ik intellectuele ledigheid. Alle nieuwsgierigheid is verdwenen.'
De professor is nu op zijn hoede. Hij leunt voorover en steekt een nieuwe sigaret op. 'Waar bent u op uit?' vraagt hij geïrriteerd.
'Het is mijn diepste overtuiging dat de mens altijd gedreven wordt door zijn zucht naar kennis. All it needs is the proper nourishment. Education is merely putting the feast on the table. Maar nu is de tafel leeg. De kwaliteit van het onderwijs bedreigt de Amerikaanse democratie. Net als in de Weimar-republiek heeft de universiteit haar geloof in de academische vrijheid verloren. Mijn collega's geloven er niet meer in. Zij geloven in betrokkenheid. Misschien had Nietzsche gelijk. Misschien is het menselijk ras bezig ten gronde te gaan en kan alleen een elite hem redden. Als je de cultuur vernietigt, vernietig je de mens. Kijk naar de student van vandaag, hij weet zoveel minder, hij is zo losgeraakt van zijn tradities, intellectueel is hij zoveel lakser, zoveel armer dan studenten in vorige generaties.

Ik vraag me af of Amerika nog te redden is. De kwaliteit van het onderwijs, en daarmee het fundament van de Amerikaanse samenleving, is aangetast door modegrillen uit de jaren zestig. Positieve discriminatie van zwarten, vrouwenstudies, homo-studies. Allemaal levensgevaarlijke onzin. En nu,' zegt hij en voor het eerst lacht hij niet, 'hebben ze zelfs actiegroepen om het roken te verbieden. Waar eindigt dit?'

De sfeer is nu grimmig.

Ik vraag of 'betrokkenheid' niet ook kan leiden tot de ontdekking van het Goede of de Waarheid en wek zijn toorn op: 'Hoe kunt u leven in het isolement van de universitaire ivoren toren terwijl, met name hier in Chicago, om U heen de meest wrede armoede heerst?'
'Je moet met mensen meevoelen,' antwoordt hij. 'Je moet begaan zijn met hun lot. Maar ook al bent u bijzonder onder de indruk van de armoede hier, toch heeft de mensheid wel ergere dingen meegemaakt.

 

Amerika biedt mensen vrij veel kansen om zich op te werken. Mijn grootouders waren heel arm en onontwikkeld toen zij naar Amerika kwamen. Ik wil Amerika niet verdedigen, maar als je zegt: eerst moet alle misdaad de wereld uit en al het onrecht, als al het denken op gevoel moet zijn gebaseerd en als je betrokken moet zijn zonder twijfels te kennen, dan zeg ik: dat is de doodsteek van het theoretische denken.

Theoretici, zoals ik, wordt vaak verweten dat ze te gevoelloos zijn. Toch moeten er mensen zijn die de Waarheid zoeken, hoe kil die ook is.

Die neiging tot betrokkenheid, of het nu betrokkenheid is bij het nazisme of bij de strijd tegen de armoede, is funest voor de koele afstandelijkheid die noodzakelijk is voor begripsvorming. Dat klinkt hard en ik ben zwaar geattaqueerd op die stellingname. Socrates werd ter dood gebracht omdat hij die koele afstandelijkheid bewaarde. En uiteindelijk bleek hij gelijk te hebben gehad. Het gevaar voor de filosofie schuilt niet in het kapitalisme of in de commercie. Het gevaar schuilt in de betrokkenheid, in morele verontwaardiging.'

* * *

's Middags rijden we nog een keer naar Cabrini Greens. Aan de rand van de wijk ligt een speelplaats. Naast de wip staat een bord: verboden alcoholische dranken te nuttigen. Er spelen geen kinderen. De schommel is met een zware ijzeren ketting verankerd tegen diefstal.
Down-town koop ik het nieuwste boek van Paul Theroux, O-zone. Het verhaal speelt zich af in het Amerika van de eenentwintigste eeuw. In de centra van de grote steden, omgeven door prikkeldraad en tankgrachten, wonen 'de Eigenaren', zwaarbewaakt en permanent in het licht van schijnwerpers. Buiten de omheining leven 'de Mutanten', de uitgestotenen.
En op de televisie in mijn hotelkamer voert Jesse Jackson campagne in de zwarte wijken van Chicago en hij citeert keer op keer voor het wild enthousiaste publiek Abraham Lincoln: 'We the people. We the people.'


* * *